gieren
A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

(Deel van de) Triviale naam voor de 14 soorten behorend tot de diverse genera in de familie Accipitridae (Falconiformes, onderorde Falcones) in de Oude Wereld en de 7 soorten in de familie Cathartidae (Falconiformes, onderorde Cathartidae) in de Nieuwe Wereld. In het meervoud gebruikt voor soorten van beide families. De gieren van de Oude Wereld worden ook tot een aparte subfamilie gerekend, de Aegypiinae, of zelfs tot een aparte familie; de andere soorten binnen de familie worden dan gerekend tot de familie Pandionidae. In grote lijnen lijken de gieren van de Oude Wereld in morfologie op die van de Nieuwe Wereld, maar de laatste familie is op anatomische gronden in een aparte onderorde (Cathartae) geplaatst. Gieren van de Oude Wereld zijn grote vogels (spanwijdte van 150-280 cm, gewicht van 1,5-7 kg) en worden alle, behalve de Lammergier en de Palmgier, gekenmerkt door een geheel of gedeeltelijk kale kop en nek (afgezien van een dunne donslaag). De meeste soorten bezitten een halskraag van lange smalle veren. De snavel is sterk en gekromd, maar de poten zijn relatief zwak en niet geschikt om een prooi mee te grijpen, laat staan dood te knijpen, zoals bij de andere Falconiformes het geval is. Ze hebben lange brede vleugels en kunnen urenlang rondzeilen. In tegenstelling tot de meeste andere roofvogels is er slechts een gering grootteverschil tussen de sexen. Het verenkleed is meestal donkerbruin of zwart. De gieren van de Oude Wereld leven in de warme delen van Europa, geheel Afrika en de droge delen van zuidelijk Aziƫ, maar ontbreken in het Australaziatisch gebied. Ze komen vooral voor in gebergten en open droog gebied en ontbreken meestal in streken met overvloedige regenval. Op een uitzondering na (de Palmgier) eten ze uitsluitend aas en eten ze ofwel het vlees, ofwel de huid, ofwel de botten. Een kadaver wordt op het oog ontdekt, vaak als er al andere aaseters aanwezig zijn. Ze schrokken zich enorm vol en kunnen na een maaltijd vaak maar nauwelijks opvliegen. Gieren broeden over het algemeen in bomen (slechts enkele broeden op kliffen) en leggen slechts een ei. De gieren van de Nieuwe Wereld verschillen van die van de Oude Wereld, afgezien van anatomische verschillen, alleen in de aanwezigheid van vaak kleurige wratten en lellen op de kop. Ze komen ook voor in natte gebieden, waaronder regenwouden. De meeste kunnen een kadaver op de reuk vinden. Ze nestelen in bomen of op rotsrichels en leggen 2-3 eieren. Ze komen voor van het zuiden van Canada tot Tierra del Fuego in Argentiniƫ.

Alternative forms voor gieren : Aegypius, gier, Gypaetus, Gyps, Neophron.

vultures.jpg

gieren